Stichting Doejemee

De Raetsingel 1
5831 KC Boxmeer

Hoofdcontent

Werken aan pedagogisch fundament met jeugdtrainers

Werken aan pedagogisch fundament met jeugdtrainers

Kinderen en pubers zijn nog volop in ontwikkeling. Dat betekent voor een jeugdtrainer die met zo’n groep werkt het belangrijk is om ook kennis te hebben van die ontwikkeling. Je zou kunnen zeggen: Het trainen en coachen van een jeugdteam is geen startkwalificatie, maar een specialisatie. Echter, voor zover jeugdtrainers al een trainersdiploma hebben, zijn zij vooral technisch en tactisch geschoold. Specifieke kennis over de ontwikkeling die kinderen en pubers doormaken, maakt zelden onderdeel uit van (jeugd-)trainerscursussen. Speciaal voor deze groep trainers heeft DOEJEMEE in de maand juni vier online workshops georganiseerd, dit onder de noemer: pedagogisch fundament.

 

Door het volgen van de workshops hebben de deelnemende trainers gewerkt aan een spreekwoordelijk pedagogisch fundament onder hun handelen als trainer. Dit fundament bestaat uit vier delen, te weten:

 

Speelgedrag

Als kinderen niet in voldoende mate onderkennen dat tegenstanders een ander belang (vaak zelfs tegengesteld) hebben, dan is er eigenlijk geen sprake van competitie. Niet zelden leidt dit op trainingen en wedstrijden tot ongewenst gedrag, bijvoorbeeld boosheid of agressie. Voor een trainer is het daarom belangrijk om kennis te hebben van de sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkeling die kinderen en pubers doormaken. Met die kennis paraat kan het speelgedrag dat sporters vertonen beter geduid worden en daarmee mogelijke problemen preventief voorkomen.

 

Zelfvertrouwen

Zelfvertrouwen is één van de twee essentiële bouwstenen van een jeugdtraining. Deels doe je dat als trainer door het geven van oprechte complimenten, maar zeker zo belangrijk is dat een sporter het ook zelf ervaart. Dat een sporter zegt: “Ik weet dat ik het kan, omdat ik ervaren heb dat ik het kan!” Door vooraf goed na te denken over de opbouw en inrichting van je training kun je hier als trainer al op voorsorteren.

 

Motivatie

Iedere trainer herkent het wel. Een van de sporters uit je team loopt continu de kantjes er vanaf, is aan het klooien en werkt verstorend op de rest van de groep. Zo’n sporter heet in de ‘wandelgangen’ een ongemotiveerde sporter. Vanuit het perspectief van de trainer is dat ook goed te begrijpen. Echter, motivatie heeft ook een sportersperspectief. Door in dergelijke gevallen het perspectief van de sporter te hanteren kun je als trainer soms tot een ander inzicht komen. Dan blijkt het ‘probleem’ met een bemoedigend woordje, een rake vraag of een gemeend compliment te verhelpen. Het ongewenste gedrag verdwijnt als sneeuw voor de zon. Mopperen of boos worden had je op datzelfde moment zomaar van de regen in de drup kunnen helpen.

 

Grondmotorische vaardigheden

Wanneer je alle manieren waarop iemand kan bewegen op één hoop gooit en ze dan gaat rubriceren, dan kom je tot tien clusters van grondmotorische vaardigheden. Als je de specifieke technieken uit je sport vervolgens analyseert aan de hand van deze tien clusters, dan zal je ontdekken dat een beperkt aantal daarvan een belangrijke rol speelt in jouw sport. Door vervolgens op die manier naar het trainen van technieken te kijken ga je niet alleen overlap zien tussen verschillende technieken, maar ook verschillende sporten. En zodra je die overlap doorhebt, wordt het heel makkelijk om specifieke elementen uit andere sporten te ‘lenen’ en deze ten voordelen van je eigen sport te gebruiken in de trainingen.